Posted: Fri Aug 11, 2006 8:05 pm Post subject: Boekengids (Antwerpen, 1986) over De Overkant
«Ernst Jansz, de voormalige popmuzikant van Doe Maar, is met De Overkant aan zijn tweede boek toe en daarmee doorbreekt hij het imago van oppervlakkigheid dat popsterren nogal eens aangemeten krijgen. Zijn eersteling Gideons droom verscheen in 1983 en behandelde het thema van een Indische jongen die, via zijn vader, op zoek ging naar zijn eigen identiteit. Het boek werd over het algemeen positief ontvangen.
Ook De Overkant gaat voor een groot deel over die vader. Ernst Jansz zoekt deze keer niet in de eerste plaats naar zijn eigen zijn, maar zet via de vraag `wie was mijn vader?’ een soort hommage neer voor die vader. Het spreekt vanzelf dat hij via die zoektocht toch ook weer dingen over zichzelf aan de weet komt, of misschien toch maar beter, zijn ik-figuur. Tegen het einde is er ook nog een rechtstreekse verwijzing naar zijn eerste boek, wanneer de auteur in herinnering brengt dat zijn vader hem Gideon noemde, wanneer hij driftig was. Om die zoektocht naar zijn vader uit te werken, maakt Jansz een enorme bocht. Hij kruipt in de huid van zijn hoofdfiguur Joch, hoewel dat pas in het derde hoofdstuk 'Een reisverslag' duidelijk wordt. Joch is de zoon van Rudi (en Jopie) en de roman is een reconstructie van het leven van vader Rudi, een soort familiekroniek dus.
Het boek beslaat een tijdspanne van 50 jaar (van 1935 tot 1985) en bestaat uit drie duidelijk onderscheiden delen die samenvallen met de hoofdstukindeling. Het eerste hoofdstuk heet 'Brieven' en bevat de correspondentie die gevoerd wordt tussen zijn grootouders en zijn vader. De grootouders verblijven in Indonesië, op Java meer bepaald, en de op dat ogenblik bijna 21-jarige oudste zoon Rudi die in Nederland is om daar te studeren. Het gezin telt acht leden, vader, moeder en zes kinderen. De vijf andere kinderen zijn bij hun ouders. Op een paar uitzonderingen na krijgen we uitsluitend de brieven van de ouders en/of de broers en zuster aan Rudi te lezen, en wie hij is moeten we opmaken uit de briefwisseling. Daaruit blijkt de stem van de bezorgde moeder, Moesje genoemd, een eenvoudig maar doorbraaf mens, die zich ontzettend bekommerd toont om haar zoon in het verre Nederland en de meer intelligente en bezadigde vader die zijn zoon al eens de les leest, maar toch ook erg veel van hem houdt.
Al gauw zien we dat Rudi zich in Nederland niet alleen maar bezig houdt met de studie, maar dat hij zich ook in politiek engageert en zich onder andere met woord en daad inzet voor de strijd van de Indo's, wat zijn ouders met lede ogen dienen aan te zien. Als er eindelijk sprake van is dat Rudi na zijn legerdienst naar Indonesië zal komen - we zijn dan al in 1940 - gaat dat niet door, aangezien de oorlog dreigt en alle verloven zijn ingetrokken. Dan valt er in de correspondentie een lacune gelijk aan de oorlogsduur en het is 1945 alvorens de ouders opnieuw wat van hun zoon te horen krijgen. Rudi heeft zich namelijk beziggehouden met verzetswerk en dat heeft er tenslotte toe geleid dat hij in 1944 in een hinderlaag gelopen is. Hij werd door de SD gearresteerd, mishandeld, eerst in de gevangenis opgesloten en daarna in het kamp van Amersfoort. Intussen hebben de ouders en de andere gezinsleden in Indonesië de Japanse terreur moeten gaan, wat geleid heeft tot de dood van één van de broers.
Het tweede hoofdstuk heet 'Jopie' en wordt verteld door Rudi's vrouw met wie hij in december 1940 getrouwd was. Jopie - Jochs moeder dus - vertelt over zichzelf, vanaf haar jeugd, maar de nadruk ligt uiteraard op dat deel van haar leven dat ze met Rudi gedeeld heeft. Ze zat samen met Rudi in het verzet en was een heel trouwe vrouw tot ze vlak na de oorlog de Indonesiër van adellijke afkomst Saleh leert kennen op wie ze verliefd wordt. Consequent met zijn idealistische leven en streven doet Rudi grootmoedig afstand van zijn vrouw en laat zich van haar scheiden wanneer ze zwanger is van Saleh. Op zeker moment wordt Saleh echter teruggeroepen en Jopie blijft alleen achter. Nadat ze bevallen is van een meisje Ati Setia Sadidjah en ze niets meer van Saleh hoort, hertrouwt ze met Rudi die Ati als zijn eigen kind beschouwt en liefheeft. Twee jaar later wordt hun zoontje Joch geboren. Stilaan blijkt dat Rudi toch wel met een oorlogssyndroom te kampen heeft en tenslotte overlijdt de heldhaftige verzetstrijder in een aantal ontroerende bladzijden aan kanker.
Het derde hoofdstuk 'Reisverslag' laat alle stukken van de puzzel ik elkaar vallen. Daarin gaat Joch samen met zijn vrouw Anna naar Indonesië om er de confrontatie aan te gaan met het land van zijn vader. Het is letterlijk opgevat als een reisverslag, met oog voor het land, het landschap, de mensen, hun zeden en gewoonten, de historiek en dies meer. Jochs ontmoeting met die andere wereld biedt hem veel inzichten en hij begrijpt na afloop des te beter het streven en de bedoelingen van zijn vader die, blijkens een nagelaten brief, in zijn zoon die verwachtingen stelde die niet bewaarheid kunnen worden, die van de eeuwigdurende vriendschap, liefde en genegenheid. Het verhaal is dan rond, de hommage is voltooid.
Ernst Jansz heeft met De Overkant, waarmee hij Indonesië bedoelt, een aangrijpend boek geschreven. Valt het eerste hoofdstuk bij wijlen nogal langdradig uit, omdat die correspondentie ook veel korter had gekund en hij wat te lang blijft doorbomen op hetzelfde thema van de ouderlijke bezorgdheid voor de zoon in Nederland (maar ja, brieven komen maar om de zoveel weken en je leest ze normaal niet allemaal na mekaar, dus verhoogt Jansz in sec ook de authenticiteit), dan wordt dat achteraf ruimschoots goedgemaakt door een verhaal met veel gebeurtenissen en vaart. Het boek is geschreven vanuit drie vertelstandpunten: in het eerste hoofdstuk het standpunt van Rudi's ouders (ook wel van Rudi zelf), in het tweede dat van zijn vrouw Jopie, in het derde dat van zijn zoon Joch. Uit die drie verhalen komt de evolutie van de vader en zijn karakteriele analyse duidelijk tot uiting. Eigenlijk is Rudi het centrale personage dat geëvoceerd wordt door anderen, maar het boek leidt tot de slotsom dat hij een structurele hoofdfiguur is, zonder wie de eigenlijke hoofdpersoon en verteller Joch zijn queeste niet had dienen te ondernemen.
Jansz vermengt in zijn roman ook drie genres en drie schrijfstijlen: een briefwisseling, een verhaal, een reisverslag en hij heeft ze alledrie met veel bravoure uitgewerkt, want de authenticiteitwaarde - we lieten het terloops al doorschemeren - is groot. Dat wordt in de hand gewerkt ten eerste door de huis-, tuin- en keukenmededelingen in de brieven, zodat je je afvraagt of ze niet inderdaad echt bestaan, ten tweede door de relatieve afstandelijkheid van de reisjournalistiek in hoofdstuk drie en ten derde door de wijze waarop Ernst Jansz zich over Indonesië en zijn geschiedenis gedocumenteerd heeft, ten bewijze waarvoor hij op het eind van zijn werk een korte boekenlijst met drie standaardwerken over Indonesië opgeeft.
Het boek is goed geschreven, zeer realistisch, in een evocatieve en beeldende taal, soms sterk geëngageerd, vaak ontroerend, waarbij het de verdienste is van de auteur dat hij nooit in kitsch vervalt, waarvoor bij dit soort hommages de dreiging niet gering is. Ernst Jansz verdient veel waardering voor de tedere manier waarop hij in De Overkant de grenzen tussen realiteit en fantasie onmerkbaar in elkaar heeft laten vervloeien.»